Carpaal Tunnel Syndroom

Carpaal tunnelsyndroom

Wat is een carpaal tunnelsyndroom?
Het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) is een van de meest voorkomende zenuwbeknellingen. De aandoening ontstaat door een beknelling van de nervus medianus of middenhandszenuw ter hoogte van de pols. Deze belangrijke zenuw loopt naar enkele spieren in de hand en verzorgt het gevoel en de tastzin in de hand van de duim, de wijsvinger, de middelvinger en de helft van de ringvinger.

De zenuw loopt door een tunnel (de carpale tunnel) samen met 9 pezen die naar de vingers gaan. Aan de handpalmzijde is deze tunnel afgesloten door de dwarse polsband van bindweefsel. Wanneer dit bindweefsel gaat zwellen wordt de druk in de tunnel te hoog en raakt de zenuw bekneld.




Wat zijn de oorzaken van een carpaal tunnelsyndroom?
De oorzaak van de zwelling van het bindweefsel is in de meeste gevallen onbekend, meestal treedt deze spontaan op. Enkele factoren die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van een carpaal tunnelsyndroom:

  • Hormonale veranderingen zoals tijdens de zwangerschap en de overgang;
  • Een langzaam werkende schildklier;
  • Herhaalde (krachtige) bewegingen van de pols;
  • Andere aandoeningen zoals reuma;
  • Suikerziekte;
  • Een polsbreuk.


Klachten en symptomen

In welke levensfase komt het voor?
De klachten van een carpaal tunnelsyndroom ontstaan meestal in de leeftijd van 40-60 jaar en komen vaak voor aan beide handen. Vrouwen hebben drie keer zoveel kans op het ontstaan van een carpaal tunnelsyndroom als mannen.

Welke klachten en symptomen kan iemand hebben?
De symptomen bij een carpaal tunnelsyndroom kunnen nogal wisselen of verschillend worden ervaren. De klachten worden veroorzaakt door de beknelling van de zenuw. Bij een carpaal tunnelsyndroom kunt u last hebben van:

  • Een prikkelend en pijnlijk gevoel in de handpalm en in de vingers;
  • Een verdoofd gevoel in de vingertoppen;
  • Een dik gevoel in de hand;
  • Uitstralende pijn naar de onderarm, elleboog en schouder;
  • Vermindering van kracht in de hand.

De klachten van een carpaal tunnelsyndroom kunnen verergeren:

  • Bij langdurig herhaalde beweging;
  • Bij houdingen waarin u weinig beweegt (bijvoorbeeld bij autorijden of lezen);
  • Gedurende de nacht;
  • Bij hormoonschommelingen zoals tijdens de zwangerschap of de overgang.

 


Diagnose en onderzoek

Hoe en door wie wordt de diagnose gesteld?
Het vaststellen van de diagnose CTS gebeurt door uw orthopedisch chirurg op basis van de klachten van de patiënt en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek. 

Welke onderzoeken worden gedaan?
Naast het lichamelijk onderzoek kan aanvullend onderzoek in de vorm van een elektromyogram (EMG) gemaakt worden. Een EMG geeft informatie over de prikkels die via de zenuwen naar de spieren geleid worden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd op de afdeling neurologie.
Eventueel kan bloedonderzoek worden verricht om oorzaken op te sporen, daarnaast kan een röntgenfoto gemaakt worden als vermoed wordt dat er een benige oorzaak van het carpale tunnel syndroom is.

 


Niet-operatieve (conservatieve) behandeling

Lokale injectie 
Een injectie met een combinatie van een verdovende vloeistof en een krachtige ontstekingsremmer (corticosteroïden) kan een vroege CTS genezen.

Spalk
Het dragen van een polsbrace (spalk) gedurende de nacht heeft vaak een gunstig effect op de symptomen. 


Operatieve behandeling

Als de conservatieve behandeling onvoldoende effect heeft,  dan is een operatie een goede optie. Hoe langer en ernstiger de zenuw klem zit, hoe langer het herstel duurt. In heel ernstige gevallen, is compleet  herstel niet mogelijk 

Voor de operatie
Anesthesie
De te opereren pols wordt meestal verdoofd met lokale verdoving of een regionaal pijnblok (Bierse blok.  Vlak voor de operatie krijgt u dit pijnblok toegediend via een infuusnaald in uw arm. De verdoving verspreidt zich door uw gehele arm maar niet verder omdat de bloedvoorziening van de arm tijdelijk wordt afgesloten door een speciale opgeblazen band rond de arm.

Tijdens de operatie
Via een korte snee in de huid wordt het dak van de carpale tunnel geopend, waardoor de zenuw meer ruimte krijgt.

Hechtingen
Het wondje wordt gehecht met enkele hechtingen die u na 14 dagen bij de huisarts kunt laten verwijderen.

Na de operatie
Opnameduur
Een operatie aan een carpaal tunnel syndroom gebeurt altijd in dagbehandeling.

Complicaties

Ondanks alle zorg die aan de operatie besteed wordt, kunnen er soms toch complicaties optreden. 
De meest voorkomende complicaties zijn: 

  • Een nabloeding bij de pols;
  • Een infectie van de wond. Antibiotica wordt voorgeschreven afhankelijk van de ernst van de infectie en in sommige gevallen wordt de wond gespoeld;
  • Schade door de operatie aan structuren rond de pols, zoals pezen, zenuwen of bloedvaten; dit is zeer zeldzaam;
  • Er is een kleine kans op het ontwikkelen van koude intolerantie en dystrofie (CRPS).
     
  • Contact opnemen
    Neem contact op met uw orthopedisch chirurg indien: 
  • een bloeding niet stopt nadat u er 10 minuten stevig tegenaan hebt gedrukt;
  • u heftige pijn ervaart die niet goed reageert op de pijnmedicatie;
  • een infectie van de wond zich uit in roodheid, zwelling, pijn en eventueel pus;
  • er sprake is van een abnormale zwelling of koorts;


U kunt hiervoor tijdens kantooruren bellen met het secretariaat van OCON, telefoonnummer: 088 - 708 3370. 
Buiten kantooruren kunt u contact opnemen met de verpleegafdeling van OCON, telefoonnummer: 088 - 708 5560.  


Drukverband en sling
Na een carpaal tunnel release krijgt u een drukverband voor 24 uur en een sling (draagband) om overdag te dragen. De sling is voor de eerste paar dagen na de operatie. ’s Nachts kunt u zo nodig de arm op een kussen leggen.

Oefeningen
De eerste dagen na de operatie
U dient direct oefeningen te doen met uw vingers: strek en buig uw vingers om stijfheid tegen te gaan. Dit mag u al rustig doen als uw hand rust in de sling. Op geleide van de pijn kunt u de beweging van uw hand en pols langzaam opvoeren.

Twee weken na de operatie
Twee weken na de operatie mag u uw hand normaal gebruiken. In overleg met uw orthopedisch chirurg  kunt u, afhankelijk van uw herstel en de intensiviteit van uw taken, weer (gedeeltelijk) aan het werk.

Controle
Zes tot acht weken na de operatie komt u voor controle bij uw orthopedisch chirurg.